Onderwijs aanpak

Een belangrijke doelstelling van dit project is het opleveren van een aanpak of raamwerk voor het overdragen van danstechnieken aan volwassenen met een verstandelijke beperking, autisme en of leerprobleem. Gedurende het project zijn zeven dans artiesten betrokken geweest bij de overdracht van bestaande en nieuwe activiteiten en methoden.

Door middel van het observeren van elkaar tijdens het lesgeven en het reflecteren op de reacties van de dansers en de effectiviteit van de gebruikte methoden is er een set richtlijnen ontwikkeld. Deze houden er rekening mee dat elke docent een eigen manier van lesgeven heeft en eigen voorkeuren voor wat betreft stijl en inhoud van de bewegingen. De richtlijnen zijn bedoeld als leidraad voor de benaderingen bij het lesgeven die we het meest effectief vonden.

Verantwoordelijkheden bij het lesgeven en te ontwikkelen vaardigheden

Creëer een veilige omgeving

Het ontwikkelen en handhaven van een ondersteunende omgeving is essentieel om leerlingen, dansers en of student tot bloei te laten komen. Duidelijk maken van verwachtingen over hoe we in de studio samenwerken en wat professionaliteit is, kan helpen bij het ontwikkelen van een goede werkhouding en respect en overleg binnen de groep.

Bepaal het niveau van je groep

Identificeer hierbinnen behoeften binnen de groep en probeer activiteiten hierop aan te passen. Vind oefeningen waar elke leerling, danser en of student baat bij kan hebben.

Observeer

Observeer hoe de dansers inspelen op de activiteit. Dit gaat over hoe individuele dansers hier emotioneel en fysiek mee omgaan, veranderingen in de groepsdynamiek en het opmerken van signalen met betrekking tot gedrag dat zou kunnen escaleren.

Wees responsief

Reageer op wat er op dat moment in de studio gebeurt. Als een activiteit mislukt, stop dan en zoek een andere manier om het idee over te brengen. Pas de inhoud aan, laat het idee indien mogelijk een andere kant op gaan, of vergroot de uitdaging naar behoeven. Reageer snel op signalen met betrekking tot gedrag, om de impact op het individu en de groep te minimaliseren. Reageer snel op

gedragsaanwijzingen om de impact ervan op het individu en de groep te minimaliseren. Door eenvoudigweg de positie van uw of een danser in de ruimte te veranderen, oogcontact te krijgen enz. kan een verandering in het gedrag worden bijgestuurd.

Maak het doel van de oefening duidelijk

Geef inzicht in de vaardigheden waaraan je werkt en het proces om deze te bereiken.

Gebruik verschillende benaderingen voor elke activiteit

Dit helpt om een beroep te doen op verschillende leerstijlen (zie onderwijs richtlijnen hieronder)

Pas tegelijkertijd op voor cognitieve overbelasting

Te veel informatie kan bij sommige dansers leiden tot spanning en dissociatie. Gebruik een gepaste hoeveelheid stimuli om je doel te bereiken. Zie Veilig werken voor meer informatie hierover.

Help dansers om verbindingen te maken

Zelfs als de beweging of oefening bekend is, kan het nodig zijn dingen in stukjes op te knippen als er sprake is van een nieuwe context. Bijvoorbeeld als de oriëntatie is veranderd, bijvoorbeeld van liggen naar staan.

Gebruik stimulerende taal

Gebruik positieve woorden en zinnen om aan te geven wat je van je dansers wilt zien, in plaats van hun te vertellen wat je niet wilt.

Reflectieve praktijk

Maak tijd om te reflecteren op je eigen handelen en observeer anderen tijdens het lesgeven om dit te faciliteren.

Vanuit de kern vind je aanpassingen en ontwikkelingen

Bij je dansers te ontwikkelen vaardigheden

Observationele vaardigheden

Ontwikkel hun vermogen te zien wat goede beweging en alignment is, zodat zij zichzelf kunnen corrigeren.

Cognitieve vaardigheden

Ontwikkel hun vermogen de concepten te begrijpen die ten grondslag liggen aan de vaardigheden die zij leren.

Autonome leerlingen

Ontwikkel hun vermogen zichzelf te motiveren en autonome leerlingen te worden. Maak hen bijvoorbeeld stap voor stap verantwoordelijk voor het onthouden van de oefeningen, het corrigeren van zichzelf en hun collega’s en het zelfstandig creëren en oefenen, waarbij zij het jou laten weten als zij zich ongemakkelijk voelen of pijn hebben.

Dit kan enige tijd kosten en het kan moeilijk zijn de balans te vinden. Voor zowel de docent als de danser is dit een leerproces, want:

  • als de danser moeite heeft oorzaak en effect te koppelen, kan te veel verantwoordelijkheid leiden tot spanning of dissociatie.
  • het kan zijn dat dansers niet in staat zijn aan te geven of je te laten weten als zij pijn hebben of uitgeput zijn. Ontwikkelen van lichaamsbewustzijn kan helpen, maar de docent moet ook bewustzijn en verantwoordelijkheid houden.
  • sommige dansers kunnen dwangmatig zijn en niet weten wanneer zij moeten stoppen. Ook hier moet de docent waakzaam zijn.

Bepalen van doelen

Ontwikkel hun vermogen gebieden te identificeren die zij moeten verbeteren en doelen te stellen die daaraan gerelateerd zijn. Dit kan helpen om te motiveren, het zelfbewustzijn te vergroten en autonomie te ontwikkelen.

Sociale vaardigheden

Ontwikkel bij de dansers het vermogen tot interactie en op een coöperatieve manier met alle collega’s werken, zodat er een ondersteunende en professionele werkomgeving wordt gecreëerd.

Aanpassingsvermogen

Ontwikkel bij de dansers het vermogen zich aan te passen aan veranderingen die in de klas en in de omgeving kunnen plaatsvinden. Zoals bijvoorbeeld nieuwe docenten, nieuwe dansers in de groep of in een andere studio zijn.

Onderwijs Richtlijnen

In de Richtlijnen voor het Lesgeven refereren we voor elke activiteit aan de volgende methoden van overdracht. We gebruikten de volgende leveringsmethoden, ook kun je andere leveringsmethoden gebruiken die voor jouw dansers het beste toepasbaar zijn:

Auditief

  • mondelinge instructies
  • gebruik van de stem; intonatie, tempo
  • gebruik van muziek/geluiden
  • verbaal geleverde beelden

Visueel

  • fysieke demonstratie
  • visuele beelden (foto, object)

Tactiel

  • tactiele aanwijzingen gegeven door zichzelf, een collega of een leraar
  • fysieke voorwerpen

Kinesthetisch

  • ervaren van de beweging
  • ervaren hoe de beweging kan voelen, bijv. weerstand

Feedback

Ook gebruikten we de volgende manieren om feedback te geven aan onze dansers:

  • verbale feedback van collega’s of leraren
  • visuele feedback van collega’s of leerkrachten
  • tactiele feedback van collega’s of leerkrachten
  • visuele feedback & zelf-correctie

We merkten dat visuele en tactiele methoden vooral van belang waren bij het introduceren en recapituleren van activiteiten. Tijdens interviews met de dansers gaven zij aan dat de beste manier voor hen om een nieuwe beweging of een nieuw concept te leren, was door te kijken naar een fysieke demonstratie en tactiele informatie te ontvangen. Dit werd bevestigd door de dansdocenten. Elke keer dat de activiteit werd herhaald moesten de fysieke demonstratie en de tactiele benadering ook opnieuw worden gedaan, net zo lang tot de beweging of het concept was geïnternaliseerd. Dit bleek hetzelfde te zijn voor van tevoren bepaalde oefeningen en begeleide improvisaties. Bij begeleide improvisaties moest het concept worden gedemonstreerd voordat de dansers het gingen verkennen. Hierbij moesten zij worden aangemoedigd om hun eigen bewegingspatronen te zoeken, in plaats van die van de docent te kopiëren.

Gelaagde benadering bij het bouwen van een reeks van opeenvolgende bewegingen

Bij het opbouwen van een bewegingssequentie, of deze nu door de docent in elkaar is gezet, of door de dansers zelf is gecreëerd, merkten we dat een gelaagde benadering het meest effectief was.

  1. Onderzoek eerst de basisposities of het concept en maak daarbij gebruik van diverse methoden om ideeën uit te leggen en hierover te communiceren– Bij het gebruik van vast bewegingsmateriaal, oefen eerst om in en uit bepaalde posities te komen met de juiste placering. Als de dansers de beweging zelf creëren, geef dan een duidelijke richtlijn en geef hen tijd om te verkennen en besluiten hoe zij dit willen doen. Gebruik bij de overdracht een combinatie van verbale instructie, fysieke demonstratie, visuele ondersteuning door middel van objecten, beelden (verbaal en visueel aangereikt), tactiele signalen, etc.
  2. Verbind onderdelen met elkaar om langzaam een reeks op te bouwen – Het creëren van een reeks van opeenvolgende bewegingen kan een aantal sessies in beslag nemen.
  3. Voeg geleidelijk complexiteit toe – Introduceer de elementen waarop moet worden gefocust een voor een om overbelasting te voorkomen, bijv. aanwijzingen met betrekking tot focus van de ogen, kwaliteit van de beweging, variaties in snelheid, muzikaliteit, met een of meer partners arrangeren en uitvoeren. Moedig je dansers aan hun eigen uitdaging en niveau te bepalen door meer elementen toe te voegen, of het bij een of twee te houden.
  4. Verschuif geleidelijk verantwoordelijkheid naar de dansers – Bijvoorbeeld herinneren van de reeks met steeds minder, en uiteindelijk zonder voorzeggen. Dit ontwikkelt autonomie en geheugen voor bewegingen bij de dansers en stelt de docent in staat effectiever te observeren en corrigeren. Om zeker te weten dat elke danser de reeks kent, kan het gepast zijn deze door iedereen alleen te laten uitvoeren, zonder collega’s.

Aanpak binnen het project: een biopsychosociale ecologie

Lange tijd hebben zuiver wetenschappelijke benaderingen van gezondheid het westerse denken beïnvloed. Deze boden gemakkelijke ‘manieren van weten’ die objectief, expliciet en grondig zijn. Dit denken vindt zijn oorsprong in de duale benadering van Descartes en de reductionistisch mechanistische scheiding van lichaam en geest (en ziel) in afzonderlijke entiteiten (Arcangeli, 2008; Havelka, Lucanin, & Lucanin, 2009). Deze praktijk en de biomedische benadering van gezondheid werd echter in twijfel getrokken zodra niet-overdraagbare chronische ziekten werden herkend en begrepen. In 1948 definieerde de Wereldgezondheidsorganisatie gezondheid als “een toestand van volledig fysiek, mentaal en sociaal welzijn en niet enkel de afwezigheid van ziekte of gebreken” (WHO, 2006a, 2006b).

Vandaag de dag wordt gewoonlijk rekening gehouden met psychologische en sociale risicofactoren met betrekking tot gezondheid en welzijn (Havelka et al., 2009; Rogers, 2018) door het toepassen van een biopsychosociaal model dat ontwikkeld is door Engel (1980). Dit model focust op de wisselwerking tussen genen, omgeving, en fysieke en psychosociale factoren. In overeenstemming met Engel’s werk is het biopsychosociale model verder ontwikkeld, zodat het ook de culturele aspecten bevat die invloed hebben op een onderzoekscontext (Gomm & Davies, 2000). De benaderingen van Engel en van Gomm en Davies sluiten ook goed aan bij Bronfenbrenner’s ecologische raamwerk (1979). Dit onderscheidt Macrosystemen (culturele omgeving), Exosystemen (de setting), Microsystemen (het individu) en Chronosystemen (transities door de tijd heen) als factoren die invloed hebben op de ontwikkeling gedurende het leven (Bronfenbrenner & Morris, 2007; Lehman, David, & Gruber, 2017).

Het combineren van biopsychosociale en ecologische systemen leverde een biopsychosociale ecologie op die ten grondslag ligt aan dit project. Dit was met name belangrijk omdat de focus lag op het vergroten van zowel de ervaringen van de dansers als de uitkomsten, waarbij alle dansers in staat worden gesteld hun potentieel te benutten binnen hun doceer-, leer- en trainingsomgeving voor dans. Onderstaande figuur laat de interactie zien tussen deze systemen en de aanpak binnen dans.

A dancer reaching her arms above her head which the group leader uses touch on the hands and stomach to help alignment.