Woordenlijst van termen

Uitlijning – het vermogen om een veilige houding en plaatsing voor de danser te behouden.

Evenwicht – het vermogen om tijdens de activiteit het zwaartepunt en het evenwicht te handhaven ten opzichte van de verschillende krachten en de verdeling van het gewicht.

Lichaamsbewustzijn – het interne begrip van waar je lichaam zich bevindt in de ruimte, hoe het voelt en hoe het beweegt.


Chronisch – iets dat lang aanhoudt of blijft bestaan.

Coördinatie – het vermogen om uw bewegingen efficiënt te controleren, uit te voeren en te sturen met betrekking tot interne en externe factoren.

Creativiteit – het vermogen om nieuwe ideeën of concepten te genereren vanuit de verbeelding.

Groepsdynamiek – processen van groepsinteractie, invloed van de leden, doelstellingen, activiteiten en technieken van de deelnemers. Ze beïnvloeden het individuele gedrag, onder invloed van de groep.  Bijvoorbeeld groepsdynamiek van vertrouwen en groepscohesie, communicatie dynamiek, enz.

Elevatie – de mogelijkheid om het zwaartepunt efficiënt te verplaatsen tussen de verschillende niveaus met controle.

Equilibrium/Evenwicht – een toestand waarin tegengestelde krachten of invloeden in evenwicht zijn.

Kinesfeer – de sferische ruimte rond het lichaam waarvan de periferie kan worden bereikt door de ledematen te verlengen. Je kinesfeer beweegt met je mee.

Lordosis – buitensporige binnenwaartse kromming van de wervelkolom, ook wel holle rug genoemd.

Proprioceptie – de feedbacksignalen van het lichaam naar de hersenen, waardoor we de positie en beweging van het lichaam kunnen voelen.

Ritme – bewegingspatroon of geluid. Kan regelmatig of onregelmatig zijn, intern of extern worden geregeld.


Veilige praktijk -“alle dansers van elke leeftijd, elk vermogen en elke stijl laten deelnemen aan de handeling van het dansen zonder risico op schade aan het lichaam of de geest, terwijl ze ook worden ondersteund om hun volledige potentieel te bereiken” (Quinn, Rafferty & Tomlinson, 2015).

Ruimtelijk bewustzijn – het vermogen om in de ruimte bewust te zijn van zichzelf in relatie tot andere mensen of objecten.

Kracht – de hoeveelheid kracht die nodig is in een bewegingsbereik om de beweging veilig en efficiënt te controleren.

Techniek – het vermogen om veilig en consistent een breed en gevarieerd bewegingsbereik uit te voeren met efficiëntie en controle. De ontwikkeling van de techniek zal de danser meer en grotere instrumenten voor de expressie geven.

Tempo – relatieve snelheid waarmee de actie in alle dansprocessen plaatsvindt. Elementen die betrekking kunnen hebben op het aanleren van een activiteit of klas, het uitvoeren van een beweging, een choreografische compositie, geluid of muziek.

Verplaatsen – de mogelijkheid om het zwaartepunt met efficiëntie en controle langs het horizontale vlak te verplaatsen.